Niet-liefde

Jouw levensverhaal brult angst in ieder hoofdstuk.

Net zoals vrijheid komt met verantwoordelijkheid, ontsnapt ook gevangenschap daar niet aan.

Verantwoordelijk voor jouw tralies en het geloof daarbinnen te moeten leven.
Verantwoordelijk voor jouw beknellende gedachtes die je mooi op je zogenaamde plaats houden.
Verantwoordelijk voor jouw niet aflatende verlangens naar echtheid.
Verantwoordelijk voor het niet-leven dat je verkiest.

Van liefde is geen sprake als je er niet voor gaat staan. Dan is ze enkel een excuus om je vast te klampen aan een hoopvolle mogelijkheid.

Ga dan tenminste met trots staan voor het hok dat je naderhand zo bekend is. Maar hou op met je niet geleefde wijsheden in mijn oor te fluisteren.

Wees man. En daarmee mannelijk. Stoer en sterk.

In je veelheid aan woorden daalt de waarde van betekenissen.

Ik vergeet wat je tegen me zei, maar nooit hoe hard ik me door jou in de steek gelaten voelde.

Het ga je goed, gevangene en cipier, in de kelders van je miskende koninkrijk.

Jouw koningin.

Advertenties

Mijn sprookjesleven

Beste Gebroeders Grimm,

Ook ik ben groot geworden met jullie Assepoester, Sneeuwwitje, Raponsje, tot prinsen wordende kikkers, verloren muiltjes, en kussen die tot leven wekken.

Als klein meisje was het voor mij dan ook meer dan aannemelijk dat mijn prins op een goede dag onder mijn raam zou verschijnen. Dat ik enkel twee lange vlechten en een romantische paardenrit verwijderd was van eeuwigdurend prinsessengeluk, was glashelder.
Elke dag werd een les in geduld. Deze heel erg parate prinses had echter een onvermurwbaar vertrouwen en zou niet rusten tot ze in prinselijke armen verdween.

Toen hij echter op mijn zestiende op een blinkende Aprilia – die naderhand meer aandacht kreeg dan mij ooit te beurt zou vallen – aan mijn deur verscheen, had ik hem niet herkend. Met een hangende peuk uit zijn mond, riep hij me toe snel naar buiten te komen, zodat mijn moeder hem niet zag.

Het spijt me, Gebroeders Grimm, hij was zo anders. Hoe kon ik het weten? Zijn naar bier stinkende adem bracht meer vergif dan leven in mijn lijf. Hij sprak een taal die allesbehalve koninklijk klonk. En zijn onuitputtelijke begeertes stonden in de weg van elke mogelijke hofmakerij.

Gelukkig werd het geen leven lang met de Aprilia boy en evenmin met de skater, de blower, de rocker en de womanizer.

Vergeef me als ik mijn beide muiltjes nog even aanhouden wil en pompoenen met enige argwaan aanschouw. Ik zit het nog wel even uit zo. Bedankt.

Met Hoffelijke Groeten,
Een Geduldige Prinses

O ja, moest er nog ergens een Ezeltje Strekje en Tafeltje Dekje in de aanbieding zijn, laten jullie mij dan iets weten? Dit prinsessenleven kan wel een duwtje gebruiken. Maar hou de knuppel maar in de zak, ondertussen kan ik mijn mannetje wel staan. Thanks! ūüėČ

Wie ik was

Herinner mijn lach
als je mijn tranen aanschouwt

Herinner mijn warmte
als mijn kilte jou bevriest

Herinner mijn strelen
als mijn woorden jou vermoorden

Herinner wie ik was
als ik geen stand kan houden

De magie van ons
verdronken in de zee van tijd

Wakker staren naar de illusie van ooit

Kwaad? Neen, hoor…

Vrijdag de dertiende. Was het √ľberhaupt slim om vandaag naar¬†de acupuncturist te gaan?
Bij onze eerste ontmoeting had hij me binnen de vijf minuten figuurlijk op de knie√ęn. Deze man sprak zachte woorden vol harde waarheden. ‘Ik zie zoveel niet geuite kwaadheid in je.’ Deze woorden waren voldoende om in tranen uit te barsten. ‘Kwaad? Ik? Neen, hoor, ik ben hoogstens¬†af en toe verdrietig. Ik heb het soms moeilijk met mijn wispelturige¬†gedachten, maar kwaad? Dat lijkt me zoveel verloren energie. Op wie moet ik dan kwaad zijn en waarom?’
‘Dat weet je best’, antwoordde hij zacht en keek met zijn schapenogen langdurig¬†in mijn zogenaamd allesverradende bruine knikkers.

Meer woorden kwamen er niet, hij liet de rest over aan zijn naalden. Ik had er geen benul van waar hij al die fijne ijzerwaren in mijn lijf geprikt had toen hij vijf minuten later de kamer verliet en me gerust stelde dat hij in de buurt was als ik hem nodig had. Even relaxen, dacht ik en ging achterover liggen. Toen ik na tien minuten hevige nek- en schouderpijn kreeg, zelfs een soort van verlammend effect voelde, realiseerde ik me dat ik domweg op de naalden in mijn nek en schouders was gaan liggen. Nou ja, een waarschuwing was mooi geweest. Maar kwaad? Neen, dat was ik niet.

‘Ga de komende tijd maar eens contact maken met die kwaadheid in je en ik zie je over drie weken terug.’
‘Euh, bedankt, dat ga ik doen’, stamelde ik, geen flauw idee over het wat en hoe van zijn opdracht.

‘Ik mag mij kwaad voelen, het is ok√© om kwaad te zijn.’ Dat waren de woorden die ik in mijn hoofd bleef herhalen. Af en toe zorgde dat voor een vulkanische¬†uitbarsting in mijn buik en hart en ging ik hard tekeer met keukenhanddoeken tegen muren en kasten. Vloeken, tieren, brullen. Allemaal kort en krachtig. Het luchtte wel op en ik voelde enigszins meer ruimte na zo’n, euh, bui.

Ik was wel trots op mezelf en wou hem vandaag, drie weken later, inlichten over de goeie afloop van zijn advies. Mijn ‘hier-ben-ik-wel-klaar-mee-op-naar-het-volgende enthousiasme’ werd snel gecounterd door zijn niet aflatende vragen over¬†waar mijn nog steeds aanwezige kwaadheid dan wel mee te maken kon hebben. Ik moest het vooral niet te ver gaan zoeken: dichtste familiebanden en/of liefdesrelaties.

Tegen mijn vader durf ik mijn gerechtvaardigde kwaadheid uitschreeuwen, mijn moeder heb ik al lang vergeven voor haar veel te vroege en vooral domme heengaan, mijn broer en ik gaan onze eigen weg, met wederzijds respect voor ons anders-zijn. Mijn liefdesrelaties?

Toen gebeurde het. Beschaamd vertelde ik hem over mijn allereerste verliefdheid.

Ik was acht en hij veertien. Hij was de broer van de allerbeste vriend van mijn broer. Hij was mooi, lief en vooral, helemaal gek op mij. We maakten lange tochten tussen eindeloze tarwevelden. Hij droeg me over grachten, stak bloemen in mijn haar en beloofde me dat hij met me trouwde in het jaar 2000. Ik was zijn kleine prinses en hij vond niemand zo mooi als ik. Elke avond ging ik slapen met wondere beelden over onze toekomst: lange wandelingen hand in hand, liefdevol lachen, zingen, dansen, spelen. Samen.
Deze droom duurde twee jaar lang. Daarna heb ik hem nooit nog gezien. Hij had het druk. Met puberen. Ik was tien en verscheurd van liefdesverdriet. Ik miste hem tot in mijn botten. Elke avond huilde ik mezelf in slaap. Elke ochtend werd ik met zoute ogen wakker. Niets leek nog zin te hebben. Al mijn kinderlijke vrolijkheid en verwondering vermoord. Ik beloofde mezelf nooit nog verliefd te worden.

Die belofte hield ik vijfentwintig jaar lang vol. Tot op de dag dat ik hem ontmoette. Tussen de tarwevelden in Zuid-Frankrijk. Dat ook hij mij het paradijs op aarde beloofde om daarna te verdwijnen, zou dat me mogelijks kwaad kunnen maken?

Ik voelde mijn bloed kolken, aders uitzetten, hoofd rood aanzetten, toen hij de naalden uit mijn lijf trok. Ik was klaar om deze man te laten boeten voor alle niet vervulde beloftes van de prinsen uit mijn verleden. Hij had me bovendien vreselijke koppijn bezorgd met al zijn stomme vragen. Tenslotte was hij het die me verzocht had ‘contact te maken’ met mijn kwaadheid. Ik balde mijn vuisten, brieste in zijn richting en …

Wie waagt het nog mij iets te beloven?

De klank van het gemis

Vrijdagavond. 18.15u.

Die tweewekelijkse stilte went niet. Ze snijdt diep. Klinkt scherp.
Het banale getier van het leven doet me snakken naar stiltes. Over de jaren heen ben ik er zo van gaan houden dat ik ze dagelijks opzoek.
Behalve die ene. De vrijdagavondstilte. Te bruusk en afgedwongen. Ik zoek ze niet. Zij vindt mij. Elke twee weken. Op dezelfde plek. Aan de keukentafel. Waar ik als een geslagen hond op één van de blauw gelakte stoelen ga zitten. De andere vier blijven de komende week onbezet.

Het irritante getik van de keukenklok maakt de stilte nog hoorbaarder. ¬†Elke seconde steekt¬†als een dolk door mijn hart. Een hart, zonet nog gevuld met spel en plezier. Met woorden van magie en beelden van fee√ęn en sprookjesbossen. Gewillig meegevoerd in een wereld waar alles mag en alles kan. Dankbaar meedansend op de koorden van hun kinderlevens.

18u. De deurbel kondigt het onafwendbare einde van de dans aan. De kilte in zijn stem breekt het ritme van mijn hart. Speelsheid wordt verruild voor verdrietig onbegrip. Als een kind dat niet begrijpt waarom het niet mag dansen en springen in die grote plas, blijf ik verdwaasd achter. De twintig passen van de voordeur tot aan de keukenstoel zijn een rituele mars van aanvaarding geworden.
Met mijn hoofd gebogen en mijn blik op niks wezenlijks gericht, ga ik zitten. Aan een tafel die afwezigheid schreeuwt.

De tikkende klok. Mijn handen neigen ze van de muur te rukken en ze in een klinkende symfonie tegen de stenen vloer te kegelen. Die godverdomse stilte breken.

In plaats daarvan grijp ik mijn gitaar en speel:

Iedereen weet het beter
Men beweert zelfs dat het went
Ik wil het best geloven
Maar weet je wat het is
Het is de klank van het gemis
die mijn gedachten overstemt

 

Gezegend

Ik heb een droom…

… elke ochtend tijd om wakker te worden in de rust en sereniteit van de donkere ochtenduren
… glimlachend op mijn meditatiekussen
… met gloeiend hart een fruitig en energierijk ontbijt maken
… ochtendzoenen
… lachend rond de ontbijttafel
… de badkamer vullen met gekke tandenpoetsbekken en sokken en onderbroeken
… zingend naar school
… knuffelen aan de schoolpoort
… verlangend uitkijken naar mijn werkplek, bij de haard
… verse thee bij mijn schrijven, zingen, cre√ęren
… tijd voor die kop koffie en dat gesprek, waarbij tranen van vreugde en verdriet mij inspireren tot meer waardevolle creatie
… een pen die mijn gedachten kan volgen
… toneel spelen te midden van de realiteit van het leven
… dansen met of zonder muziek
… muziek met of zonder geluid
… mensen optillen naar de beste versie van zichzelf, hun passie en talent ontwaren en ontsteken
… bij de schoolpoort acht enthousiaste armen en evenveel verhalen ontvangen
… verwondering bij hun¬†spel
… tijd om hen te zien
… voetballen, lopen, fietsen en verstoppen
… duinen, oevers en bossen
… paarden, vogels en wolken
… buiten adem de vonk in elkaars ogen spotten
… tijd om mij in te leven in de rol van ambulancier voor als mijn jongste als Boris de hond kwetsuren aan zijn ‘pootjes’ ensceneert
… gezelschapsspelen met uitdagende opmerkingen en algemeen gelach voor al onze winnaarsmentaliteiten
…¬†enthousiasme over wortelen en tomaten
… kaarsjes en haardvuur bij Driesje Draak en Een reus in huis
… kietelvingers en zoenige lippen in bed, waar we met een vredige glimlach onze¬†dromen aanvatten

Dromen van hoe we onze dagen, met een gevoel van tijdloosheid, met open armen telkens weer mogen ontvangen.

IMG_5177

Ontbijt

Ogen dicht en ik beeld me in dat als ik ze terug open doe, dat je weer voor me zit. Net zoals gisterenavond. Met jouw deugnietenlach bij de Italiaan. Vier uur lang hebben we samen gedineerd. Vijf gangen stonden voor mijn neus en haalden ze, drie vierden van het bord nog vol, telkens weer¬†weg. ‘Je moet eten’, zei je, maar geloof me, ik at. Mijn ogen aten elke millimeter van de jouwe, mijn oren snoepten jouw verhalen en mijn handen proefden jouw gezicht en krullen.
Wat heb ik van je genoten.

In het hotel, aan het ontbijt. Als ik mijn ogen open, vertelt de stoel voor me, dat je weg bent. Hij wil me het onverklaarbare verklaren. Er is geen werkelijke reden dat je niet hier bent. Met dezelfde glimlach als gisteren. Terwijl ik het verhaal van de stoel aanhoor, vind ik het moeilijk slikken. Hij doet verwoede pogingen om me te laten begrijpen dat je daar hoort. Ik geloof hem niet.
‘Hij is nooit √©cht daar’, vertel ik hem.
‘Kijk me aan’, smeekt¬†de stoel.
‘Ik kan het niet’, slik ik en ik sla mijn blik op de droge cracker in mijn bord.
De leegte druipt van de vierpoter af.

Koppels met volle borden en levens vertellen over niets wezenlijks langs mij heen. Hun gekwetter versterkt de stilte in mezelf. Ook de stoel valt stil en voelt met mijn tranen mee. Als hij heel eerlijk is, geeft hij toe dat ook hij van jouw¬†zachte aanwezigheid wil genieten. Hij wil¬†jouw¬†geur rond zijn houtvezels, jouw¬†vest tussen jullie¬†ruggen. De langzame trilling van jouw¬†heerlijk diepe stem zou het gekwetter in de ontbijtruimte zo weg vibreren. Wij, in een vacu√ľm, tussen het gedoe van de dag. Ongenaakbaar.

Ogen dicht.